De Windmolen

Het molenaarsbedrijf van opa Heijs.

Wie de geschiedenis van de familie Heijs uit het Noord- Brabantse Dongen in kaart wil brengen, loopt het gevaar de bosjes te worden ingestuurd. Daar tussen de struiken, bij een rustig zitje voor voetgangers, steekt een vormeloze brok gewapend beton uit de grond. Het is mijn gids, de Dongen-kenner J. Hessels, die mij voor even het gevoel geeft een ware archeoloog te zijn. De brok is tussen het gebladerte vrijwel onvindbaar en op het oog raadselachtig. In werkelijkheid echter een veelbetekenend startpunt voor deze familiegeschiedenis. Dit is de plaats waar de voormalige windmolen van mijn opa Teer Heijs uit Dongen zijn plaats verraadt. Wat we zien is een overgebleven stuk fundatie van de gasmotor uit de molenaanbouw. De plaats is te vinden op zo’n dertig meter van het bruggetje in de Sluisweg, op de westelijke oever van het riviertje de Donge.
Waltherus C. “Teer“ Heijs ( 1876-1960 ) nam al als twintigjarige, na het overlijden van zijn vader in 1896, de werkzaamheden van het molenbedrijf aan de Sluisweg over. Het bedrijf bestond uit twee in elkaars nabijheid gelegen molens: een watermolen en een windmolen. Beide molens behoorden aanvankelijk tot de koninklijke domeinen. Sinds 1788 waren zij gepacht door de familie Heijs. In 1828 kochten Wouter J. Heijs en zijn echtgenote Maria Loonen de molens over. Als laatste overblijfsel staat het bijbehorende woonhuis nog steeds aan de Sluisweg no.36. Dit is ter hoogte van de oostelijke oever van de Donge. Daarnaast stond de oude watermolen, over de Donge gebouwd. Aan de overkant van de weg stond op de westelijke oever van de Donge stond de jongere windmolen, in gebruik sinds 1777. (Zie ook kaartje op pag. 5). Op oudere topografische kaarten is Dongen dan zeker nog een onaanzienlijk landelijk dorp: niet meer dan het samenkomen van enkele bebouwde straten. Zoals overal elders zijn deze topografische kaarten onthullend: In slechts honderd jaar blijkt de bebouwde oppervlakte van Nederland onwaarschijnlijk uitgedijd te zijn. Het molenbedrijf was toen buiten de bebouwde kom gelegen. Vanaf de Hoge Ham – de Dongense hoofdstraat – leidde een zandweggetje daar heen. Het weggetje kende verder nog geen bebouwing, of het moet een enkel boerderijtje of landarbeidershuisje zijn geweest. Op oudere foto’s van Dongen komt men die onderkomens veel tegen. Ze lijken in hun soberheid en met hun laag aangezette rieten dak te verzinken in de zandgrond. Vanwege dergelijke archaïsche taferelen was Dongen in de negentiende eeuw populair geworden onder tal van kunstschilders van naam. Hiertoe behoorden August Allebé, Suze Robertson, Jozef Israëls en Max Liebermann. Dongen werd door hen bezocht vanwege de ongerepte natuur maar vooral om de mensen die in hun ogen nog in een “primitieve toestand“ leefden in hun schamele onderkomens. Ze werden vereeuwigd als houtsprokkelende vrouwen, thuiswerkende schoenmakers of als gezinnen aan een schrale aardappelmaaltijd. Naar het schijnt is de jonge schilder van Gogh tot het onderwerp van de intieme aardappeleters geїnspireerd naar aanleiding van een door Israëls in Dongen gemaakt schilderij. De herberg Muskens aan de Hoge Ham, ook wel hotel de Posthoorn genoemd, was op de hoek van de hier besproken Sluisweg het toevluchtsoord en overnachtingsadres van de schilders geweest. Maar aan het eind van die eeuw begon het beeld snel te veranderen. De leerindustrie begon aan een grote vlucht; met dezelfde snelheid zou de grootste armoede uit Dongen verdwijnen.
Willem de Vijfde Prins van Oranje en Nassau enz. enz. enz. heeft dezen molen doen sticten MDCC.LXXX.VIII
(de windmolen had een gevelsteen met deze tekst uit 1788; de molen was al wat eerder in gebruik )
De windmolen was gemetseld en had een bovenbouw met een stelling; dat was een verhoogde omlopende gaanderij. Vanaf de stelling kon men de wieken met zeilen optuigen en ook kon men daar de wieken op de wind richten. Met behulp van een “vangtouw” kon men de wieken weer afremmen. Vanwege de stichting door de prins viel deze molen vóór 1828 onder de rijksdomeinen en werd ook nadien nog de ‘’Prinsenmolen“ genoemd. Er werd graan zowel als eikenschors gemalen. Het gemalen eikenschors was een hulpstof, benodigd voor de talrijke leerlooierijen in Dongen. De molenaar was afhankelijk van de weersgesteldheden en moest daar voortdurend attent op zijn. Niet zelden dwong het weer hem om ’s-nachts te werken. Zo’ n molen was vertikaal georganiseerd, van zolder naar zolder, vijf zolders in het geval van de molen van Heijs. Het te bemalen materiaal, bij voorbeeld graan, werd in jute zakken naar de hoogste werkzolder gehesen. Daaronder werd het op achtereenvolgende lagere zolders: onder de molenstenen gemalen tot meel, opgevangen in nieuwe zakken en tijdelijk opgeslagen. Zodoende daalde het materiaal onder het eigen gewicht door een vloerluik naar een lagere verdieping. Vanaf de laagste opslagzolder kon men de zakken op een binnengereden wagen op de begane grond laten zakken en afvoeren. Mede door het vele traplopen en het verplaatsen van zakken was het nogal zwaar werk; een sterk gestel was geboden. Buiten het malen en pakken eiste ook het opzeilen van de wieken en de bediening van de mechaniek veel kracht, aandacht en dagelijks onderhoud. De bewegende delen van de molens waren altijd van hout maar – volgens een geraadpleegde bron – bij wijze van uitzondering in deze Dongense molen op enig moment vervangen door gietijzer. Het telkens opnieuw moeten groeven van de zware molenstenen was een intensief werk. De molenaar gold als een veelzijdig maar drukbezet ambachtsman. Hij werkte veelal met meerdere knechten. Vanwege de goede verdiensten waren vaste knechten lange tijd aan het molenbedrijf van Heijs verbonden. Van één knecht wist Teer Heijs te vertellen dat hij er op zijn vijftiende begon en daar bleef tot zijn tweeëntachtigste. Op andere knechten werd alleen tijdens piektijden een beroep gedaan. Naast een redelijk loon genoten sommige knechten ook kost en inwoning bij de molenaar. Nadelen van het werk waren er zeker: vanwege het gedroogde materiaal kon het in de molens erg stoffig zijn.
Maar de windmolen raakte in de brand. Het Algemeen Handelsblad vermeldde dit feit voor de nacht van oudjaarszaterdag 1911 op nieuwjaarszondag 1912. In de familie werd daarentegen altijd gesproken over de nieuwjaarsnacht van 1910. Dit is mogelijk terug te voeren op het tanende geheugen waar de oude en terugkijkende Teer Heijs zich in een kranteninterview op beriep: “Er is je wel wat door het hoofd gewaaid”. Eens te meer wordt hier aangetoond dat de fantasie met de feiten op de loop kan gaan, als gebeurtenissen niet goed worden geboekstaafd. Deze adder onder het gras heb ik mijzelf als beschrijver (HS) door deze hele familiegeschiedenis heen moeten realiseren om tot een waarheidsgetrouwe optekening te kunnen komen. Niet voor niets geldt in de journalistiek de stelregel dat iedere bron door een andere moet worden geverifieerd. Ook de oorzaak van de brand is niet met zekerheid bekend. De regionale nieuwsbladen maakten geen melding daaromtrent. Volgens een bron raakten in die tijd meerdere schorsmolens in brand. Er konden stukken ijzer tussen de schors geraken, welke tussen de maalstenen als vuurstenen konden gaan vonken. Ook het warmlopen van de molenassen of misschien het vlam vatten van het droge brandgevaarlijke materiaal is een denkbare oorzaak. Voor een ongeluk met de niet ongevaarlijke gasmotor zijn minder aanwijzingen. Werkend aan deze tekst gaan de herinneringen ook uit naar de molenbrand uit 1931 in het niet ver van Dongen verwijderde Dussen. Kermisgangers wilden daar de donkere uren opluisteren. De dronken heethoofden konden toen geen groter spektakel bedenken dan brandende wieken in de duisternis. Tijdens de Dongense oud- en nieuwviering van 1911 zou men toch niet …
Teer Heijs stond altijd nog de watermolen ter beschikking. Deze watermolen was al veel langer in gebruik. Reeds in 1438 werd melding gemaakt van zo’n molen. In de zomer van 1673 is die molen voor koren- en schors uitgebrand en enige jaren later herbouwd. Deze
Een ervaren molenaarsknecht verdiende bij Teer Heijs per week euro 4,10 een grondwerker aan de werkzaamheden bij de Bergsche Maas 2,70. Een dorpsonderwijzer verdiende euro 6,35. De bedragen zijn omgerekend naar euro’s en genoemd als inkomen per week. Werkdagen van twaalf uur waren geen uitzondering. Hieromtrent bestonden tot 1918 geen wettelijke beperkingen. Er waren nauwelijks voorzieningen voor ziekte of de oude dag, zeker geen wettelijke regelingen. In de hier bedoelde periode tussen 1896 en 1918 stegen
de lonen nauwelijks. Als indruk: voor een modaal woonhuis betaalde men omgerekend ongeveer euro 1000,-.

Een gemetselde en overkapte opvolger werd nu over de Donge gebouwd met het scheprad in het inwendige van het gebouw. Dit in tegenstelling tot de meeste watermolens, waarbij men het rad vanaf de buitenkant door het water kon zien bewegen. Verder was de techniek hetzelfde als bij de windmolen: de as van het rad bracht een zware molensteen in beweging die het graan fijnmaalde. Vanaf de negentiende eeuw kon deze watermolen ook worden ingezet als oliemolen. Er werd dan olie gemalen uit raapzaad, lijnzaad of koolzaad welke gretig aftrek vond voor gebruik in olielampen, voor het bakken in de keuken of voor het aanmaken van verf. Op bewaard gebleven briefpapier maakt Teer Heijs zich niet alleen bekend als molenaar maar ook als handelaar in granen en voederartikelen. Zoals de windmolen vroeg ook de watermolen naast het produktieve werk het nodige onderhoud. Van levensbelang waren de maalstenen. Teer Heijs reisde bij tijd en wijlen persoonlijk naar het Duitse Andernach am Rhein om de stenen bij de steengroeve uit te kiezen. Hij kocht er dan een stuk of tien en liet de zware stenen per boot en per kar naar Dongen vervoeren. Delen van de molen moesten vaak worden gesmeerd en de groeven van de molenstenen regelmatig scherp gehouden. Een riviertje als de Donge moest door de molenaar rommelvrij worden gehouden. Vaak had de watermolenaar een behoorlijke bijverdienste aan de visvangst, in het “dossier Heijs” zijn daarover vooralsnog geen aanwijzingen te vinden. Veel meer dan bij de windmolen speelden de activiteiten zich af op de begane grond. Uiteraard was deze molen afhankelijk van de toestroom van water in de Donge. Dit riviertje had de naam het snelstromendst van Nederland te zijn. Maar deze molen was niet elk seizoen voldoende in te zetten. Aanwonenden aan de Donge kregen veel last van hoog water: dit werd door het dichten van een sluis kunstmatig opgestuwd om drijfkracht aan de watermolen te kunnen verschaffen. (Zie de regelbare sluizen [s] op het navolgende kaartje). Om aan de klachten tegemoet te komen waren van hogerhand, middels waterschutrechten, beperkingen gesteld om de sluis af te mogen sluiten. In de latere jaren was het afsluiten alleen toegestaan in de maanden oktober tot en met februari. Om door het jaar heen over voldoende maalcapaciteit te kunnen beschikken hebben de beperkingen bijgedragen tot de latere bouw van de windmolen.
Een molenbedrijf speelde een tamelijk vooraanstaande rol in de dorpsgemeenschap. Boeren, looiers, bakkers, waren van zijn diensten afhankelijk. Deze lieden liepen af en aan, de molen deed vaak dienst als een ontmoetingsplaats waar de lokale nieuwtjes werden uitgewisseld. Niet zelden ziet men elders de watermolen daarom gecombineerd met een herberg. Concurrentie had de molenaar aanvankelijk niet te duchten, tot de alleenrechten in de negentiende eeuw werden opgeheven. In Dongen werd een tweede molenbedrijf gesticht. Dit leidde ertoe dat de service aan klanten moest worden verhoogd. De firma Heijs liet voort aan de grondstoffen bij klanten desgewenst ophalen en na maling weer afleveren. Op water- en windluwe dagen kon het bedrijf echter nauwelijks produceren. Daarentegen steeg jaarlijks de behoefte aan gemalen schors vanwege het sukses van de Dongense looiersbranche. Op hoge leeftijd sprak Teer Heijs nog met trots over het sukses van zijn toenmalige bedrijf en over de grote klantenkring. Het kwam voor dat een lange rij wachtenden voor de molens stond om bediend te worden. Na de beperkingen op de waterschutrechten maar zeker na de molenbrand wist opa Heijs met behulp van de machines in het overgebleven onderste gedeelte van de windmolen het bedrijf gaande te houden. Een bijkomend voordeel was, dat hij minder afhankelijk van het weer was geworden. Op een onbekend moment werd de hulp ingeroepen van een stoommachine welke de molensteen in de windmolen aan kon drijven. Een afgegeven hinderwetvergunning wijst uit dat deze machine in 1909 vervangen werd door een gasmotor, goed voor een vermogen van 25 paardenkrachten. Het daarvoor benodigde gas kwam niet van de juist geopende gasfabriek maar werd ter plekke in een ketel gewonnen uit steenkool. Het bedrijf raakte meer en meer afhankelijk van machinekracht. De genoemde tegenslagen zullen ertoe hebben bijgedragen dat de familie Heijs in de jaren 1917- 1919 het bedrijf en het woonhuis verkocht. De molens kregen een andere beheerder. Uiteindelijk werd de watermolen in 1936 gesloopt. Een jaar later onderging de beschadigde windmolen hetzelfde lot. Het is van deze laatste molen dat de “archeologisch brok” nog resteert.

De teloorgang van het molenbedrijf heeft sporen nagelaten in het leven van Teer Heijs. Een van de begrijpelijke sentimenten betrof het moeten opgeven van een lang bestaand familiebedrijf. Aan het eind van zijn leven sprak Teer Heijs bovendien met veel spijt over de teloorgang van het “schoon plekske aan de Donge”; de fraaie landschappelijke entourage met de molens aan het riviertje. Misschien voor hem nog het belangrijkst, maar onuitgesproken, was een derde verlies: zijn verbondenheid met de natuur en met de natuurkrachten waarmee de molenaar Teer Heijs zich met zijn eigen krachten kon meten. Het was leven mèt de natuur en vàn de natuur: van de wind en van het water. De molen was een van de vindingrijkste uitvindingen van de middeleeuwen geweest. Weliswaar was het een ambachtelijke machine en deden de bewegende delen, soms krakend en wel, primitief aan. Maar zijn eenvoudige principe was zeshonderd jaar later, in vrijwel ongewijzigde vorm, nog even overtuigend. Zijn “brandstoffen“ konden nooit uitgeput raken en werden niet van verre aangesleept; zij stroomden in de vorm van water en wind alsmaar kosteloos voorbij…
Een in bedrijf zijnde windmolen of watermolen kan ook nu op meerdere plaatsen in Nederland worden bezocht. Zo’n bezoek is zeker na het lezen van deze tekst zeer de moeite waard. De bezoeker kan zich verwonderen over het vernuft en de ambachtskunde waarmee vele generaties vóór hem de molen is ontworpen en gemaakt. De op de hoofdas aangebrachte en handvervaardigde houten tandraderen drijven de molenstenen aan. Op dezelfde hoofdas werkende ambachtelijke mechanieken zorgen voor het ophijsen van graanzakken, of leveren slagkracht voor het slaan van olie uit zaden zoals lijnzaad. In de jaren tussen 1912 en 1919 raakte Teer Heijs geleidelijk betrokken bij de lederindustrie.
Zoals beschreven werd het molenbedrijf in die jaren verkocht. Ook het – nog steeds bestaande – woonhuis werd verkocht. Het gezin Heijs betrok in 1919 een representatief woonhuis aan de Hoge Ham in Dongen. hsn / publ. sept.2010 – herz. aug.2016
Deze tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit mijn uitgave “Geschiedenissen uit de families Heijs en Snijders” (2009)

Aan het begin van de twintigste eeuw stond de molenaar tussen zijn ambacht en de opkomende industrialisatie. Hij maakte tot dan gebruik van natuurlijke bronnen als water en wind. Waar elders verbranding nodig was, in haarden of bakkerijen, werd een beroep gedaan op turf of het steeds op natuurlijke wijze aanwassende hout, maar nog niet op uitputtelijke fossiele brand stoffen. Op beperkte schaal werden van toen af echter die energiebronnen als kolen en olie aangewend met hun nieuwerwetse bewerkingen tot stoom, gas en elektriciteit. Van de uitputtelijkheid van deze grondstoffen had niemand enig benul; wat telde was vooral het perspektief van de vooruitgang. Dit perspektief had nooit eerder een rol van betekenis gespeeld. Dongen had als kleinere gemeente al in 1907 een gasfabriek. In de leerlooierijen werd op beperkte schaal gebruik gemaakt van achtereenvolgens stoommachines, gasmotoren en brandstofmotoren voor het persen van het leer en het aandrijven van de roterende vaten.

Molens in het landschap.
Molens speelden tot aan de helft van de twintigste eeuw een prominente rol in het landschap. Bijna overal zag men er wel een aan de horizon; rond 1850 waren er 9000 molens in Nederland tegen 1200 in 2014. Het land was opener, veel minder bevolkt, nog niet vervuld van bedrijventerreinen, elektriciteitsmasten of doorgaande wegen. In het beeld van het wijde landschap waren windmolens en bomengroepen welkome vertikale doorbrekingen van de horizontale einder, dáár waar de weidegronden overgingen in de wolkenluchten. De landschapsschilders waren er dankbaar voor; molens konden zo mooi in die wolkenluchten priemen… ( Bomengroepen en molens verdroegen elkaar overigens niet; molens moesten immers onbelemmerd wind kunnen vangen ).

Toen meer en meer plattelanders naar de steden trokken werd het landschap als thema belangrijker. De geschilderde landschappen aan de muur deden veel stedelingen aan hun familieachtergrond herinneren. Anderen zagen in de afgebeelde natuur een min of meer corrigerende impuls voor hun stedelijke leven; het schilderij kon binnen hun interieur het buitenleven tot verbeelding brengen. Het kon tot onverhoeds melancholische of romantische gemoedsgesteldheden aanleiding geven. Schilders van het voor-fotografische tijdperk, zoals Willem Roelofs en vele anderen, konden aan die vraag voldoen. Al veel eerder, in de zeventiende eeuw, waren schilders als Van Ruisdael en Hobbema al gefascineerd geraakt door zowel de techniek als de beeldende kwaliteiten van water- en windmolens. De molens op de geschilderde Nederlandse landschappen zijn veelal poldermolens, zij moesten de polders bemalen. Daarentegen stonden de pre-industriële molens dichter bij de bebouwde kom, maar in het Dongense voorbeeld toch landschappelijk gesitueerd. Vanuit het landschap bezien behoorde deze molen bij het dorp. Bekeek men hem vanuit het dorp, dan profileerde hij het landschap!
door han-snijders.nl